De toekomstige positie van de flexwerker: enkele bedenkingen

De toekomstige positie van de flexwerker: enkele bedenkingen

Op 12 oktober jl. stonden wij met ons kantoor weer op het jaarlijks terugkomende evenement OR Live in de Fokker Terminal Den Haag. Het was een zeer geslaagde dag waar wij de organisatie – en natuurlijk alle deelnemers – hartelijk voor willen bedanken. Op OR Live merkten wij dat er onder OR-leden nog veel onduidelijkheid bestaat over de rechten van flexkrachten binnen de onderneming en de ondernemingsraad. Een goede aanleiding om de tussenstand op te maken na de op 1 januari 2022 in werking getreden Verzamelwet SZW 2022, mede in het licht van de maatschappelijke ontwikkelingen sindsdien.

Statistieken flexwerk

Met onderstaande grafiek  van het CBS wordt goed zichtbaar dat het aantal mensen dat werkt op basis van een flexibele arbeidsrelatie al jaren stijgt.

Volgens de meest recente cijfers – daterend van het tweede kwartaal van 2022 – zijn op dit moment ongeveer 2,8 miljoen werknemers werkzaam op basis van een flexibele arbeidsrelatie en werken 1,1 miljoen mensen als zzp’ers. Dit betekent dat in het tweede kwartaal van 2022 4 op de 10 (!) werkenden een flexwerker was. Het is dan ook niet zo gek dat het kabinet – mede in het licht van de misstanden die aan de kaak worden gesteld met betrekking tot de vaak rechteloze maaltijdbezorgers – de rechten van flexwerkers probeert te versterken.

Rechten van flexwerkers in de medezeggenschap

Een begin van het versterken van de rechten van flexwerkers is op 1 januari 2022 gemaakt met de invoering van de Verzamelwet SZW 2022. Deze wetswijziging heeft tot doel de belemmeringen die werknemers ervaren om zitting te nemen in de ondernemingsraad te verminderen en het or-werk aantrekkelijker te maken. Per 1 januari jl. zijn de volgende wijzigingen in werking getreden die van toepassing zijn op flexwerkers:

  1. De wettelijke termijnen voor zowel actief (stemmen voor de or) als passief (verkiesbaar stellen) kiesrecht zijn gelijkgesteld en ingekort. Werknemers (dus ook flexwerkers) die drie maanden in dienst zijn bij de werkgever hebben nu zowel actief als passief kiesrecht;
  2. Om de betrokkenheid van uitzendkrachten bij de medezeggenschap te vergroten krijgen uitzendkrachten na 15 maanden (voorheen was dat 24 maanden) medezeggenschapsrechten. In combinatie met hetgeen genoemd onder I betekent dit dat uitzendkrachten nu na 18 maanden zowel actief als passief kiesrecht hebben.

Gezien de eerder naar voren gekomen stijging van het aantal flexwerkers is deze trend mijns inziens terecht. Leden van de ondernemingsraad worden democratisch gekozen en zijn idealiter een afspiegeling van de verschillende groepen werknemers binnen de onderneming. Nu de groep flexwerkers aan terrein wint, is het van groot belang dat ook hun belangen worden vertegenwoordigd binnen de ondernemingsraad.

Hoofdlijnenbrief arbeidsmarkt van het kabinet

Enerzijds lijkt het kabinet de positie van de flexwerker in de medezeggenschap te willen versterken, anderzijds lijkt het kabinet echter de voordelen van flexibele arbeid aan banden te willen leggen. Op 5 juli 2022 verscheen de Hoofdlijnenbrief Arbeidsmarkt van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid waarin het kabinet een hervorming van de arbeidsmarkt aankondigde. De kern van deze hervorming is om de afstand tussen flexibele arbeid en arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te verkleinen. Het kabinet is voornemens dit te bewerkstelligen door middel van onder meer de volgende maatregelen:

Schijnzelfstandigheid wordt aangepakt

  • Een afbouw van de zelfstandigenaftrek;
  • Een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen


Oproepcontracten

  • Oproepcontracten in hun huidige vorm worden afgeschaft, met een uitzondering voor scholieren en studenten. Deze contracten worden vervangen door een basiscontract.

 Uitzendcontracten/ Terbeschikkingstelling van arbeidskrachten

  • De onzekere fasen in uitzendwerk worden verkort, door fase A – alleen betaling voor gewerkte uren en automatische contractbeëindiging als de uitzending stopt – wettelijk te beperken tot maximaal 52 weken, waarbij geen afwijkingen meer mogelijk zijn bij cao. Fase B – waarin de uitzendkracht wat meer rechten heeft – wordt verkort naar 2 jaar;
  • Bij uitzenden in zowel fase A als fase B zal de onderbrekingstermijn vervallen, behalve voor scholieren en studenten;
  • Concurrentie op arbeidsvoorwaarden moet worden voorkomen. Dus moet sprake zijn van tenminste gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden ten opzichte van werknemers die direct werken bij de inlener. Het kabinet werkt dit verder uit met inachtneming van de Europeesrechtelijke kaders;
  • Het kabinet werkt toe naar een certificeringstelsel voor terbeschikkingstelling op de arbeidsmarkt.


Ketenbepaling

  • Het kabinet beoogt dat een ‘keten’ van contracten niet opnieuw begint na een tussenperiode, maar dat al het voorgaande werk onderdeel is van de ‘keten’. Wel zal een administratieve vervaltermijn worden uitgewerkt.

Met deze maatregelen wil het kabinet bewerkstelligen dat werken op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd de norm wordt.

Gaat het kabinet te ver?

Bovenstaande maatregelen zijn ingrijpend. Het kabinet wil de huidige ‘scheefgroei’ in de arbeidsmarkt tussen flexibele en vaste arbeid aanpakken. Desondanks ziet het kabinet ook dat ondernemingen wendbaar moeten kunnen blijven: dit volgt evident uit de hiervoor aangehaalde cijfers van het CBS. Het kabinet probeert de wendbaarheid van ondernemingen te waarborgen middels enkele ‘tegenmaatregelen’ (werk-naar-werk begeleiding, deeltijd WW en een verbetering van de regeling rondom loondoorbetaling bij ziekte bij een andere werkgever).

Deze ‘tegenmaatregelen’ staan echter in schril contrast met de ingrijpende maatregelen om de afstand tussen flexibele arbeid en arbeid op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd te verkleinen. Dit zal er ons inziens dan ook toe leiden dat ondernemingen zullen worden aangetast in hun wendbaarheid, wat juist ten koste kan gaan van arbeidsplaatsen: een gevolg waar het kabinet te weinig rekening mee lijkt te houden.

Daarbij lijken de door het kabinet voorgestelde maatregelen – zoals de afbouw van de zelfstandigenaftrek en het afschaffen van oproepcontracten – de positie van de flexwerker uit te hollen. Het staat buiten kijf dat hard moet worden opgetreden tegen de misstanden aan de onderkant van de arbeidsmarkt (zoals de schrijnende situatie van de vele rechteloze maaltijdbezorgers). Echter moet niet worden vergeten dat er ook veel werkenden zijn die van hun vrijheid en autonomie willen genieten en juist flexibel willen werken. Deze groep lijkt te worden vergeten – en wordt onevenredig hard geraakt – als de hiervoor genoemde maatregelen zullen worden ingevoerd. Een gerichtere aanpak van schijnzelfstandigheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt ligt meer voor de hand: dit ontziet enerzijds de grote groep flexwerkers die bewust als flexwerker willen werken en zorgt er anderzijds voor dat ondernemingen hun wendbaarheid behouden.